Salon de Paris, vanaf 1648

De salon, destijds genaamd l’exposition, werd in 1648 opgericht door kardinaal Jules Mazarin, minister van financiën onder Lodewijk XIV, en was bedoeld voor afgestudeerden aan de École des Beaux-Arts.

Vanaf 1673 vond jaarlijks (later ook wel tweejaarlijks) de, door de eveneens in 1648 gestichte Académie royale de peinture et sculpture (die in 1816 werd vervangen door de Académie des Beaux-Arts), georganiseerde tentoonstelling plaats. De salon werd bezocht door bezoekers uit alle lagen van de bevolking. De salon toonde vooral werken van gevestigde beeldende kunstenaars vanuit de kunstacademie.

De Salon van Brussel, Antwerpen en Gent, vanaf 1811

Gent was de eerste stad in de lage landen die naar Parijs’ voorbeeld een salon inrichtte (1792). Elf jaar later kreeg dit initiatief navolging in Brussel, waar een schilderijmuseum was geopend in het “Oude Hof” (1803).  sculpture et architecture de Bruxelles.

De echte start kwam er in 1811. Onder impuls van graaf Charles Joseph d’Ursel en Gentenaar Charles van Hulthem werd de Société de Bruxelles pour l’encouragement des beaux-arts opgericht. Op 4 november konden bezoekers naar de eerste editie (in het najaar, om niet in het vaarwater van Parijs te komen). Een jury had de deelnemers geselecteerd. Van bij de aanvang was voorzien dat de Gentse en Brusselse salons jaarlijks zouden alterneren. Omdat Antwerpen in 1813 ook met een salon op de proppen kwam, werd een systeem van triënnales ingesteld: elke stad een driejaarlijks salon.

De neergang van het officiële salon werd ingezet toen steeds meer particuliere initiatieven het licht zagen (de Société Libre des Beaux-Arts was een van de eersten en later volgden groepen als Les XX, La Libre Esthétique, Pour l’Art…). Voor de editie van 1887 halveerde de selectiecommissie het aantal deelnemers, maar het kwam de kwaliteit nauwelijks ten goede. De afgewezenen hielden een Salon des refusés in het Musée du Nord. Kunstkringen pleitten voor een privatisering van de salon.

Een nieuwe Société des beaux-arts (de Bruxelles) kreeg de organisatie toevertrouwd, zij het nog steeds onder overheidscontrole. In de marge van de grote salon organiseerde ze ook jaarlijkse tentoonstellingen (de eerste in 1894; vanaf 1908 Salon du Printemps genaamd). De traditie van driejaarlijkse salons hield nog stand tot 1914. Daarna werd de salon, ondanks intentieverklaringen, niet meer gereanimeerd.

De Salon van Berlijn, vanaf 1790

De Salon in de diverse Europese steden waren een broedplaats voor kunstenaars, wetenschappers en wereldverbeteraars. In Berlijn waren het enkele families die trefpunten als deze organiseerden.
De salons van Rahel Varnhagen en de familie Mendelssohn in Berlijn waren het trefpunt voor wetenschappers zoals Alexander en Wilhelm von Humboldt en kunstenaars als Goethe en Heine.
Fanny, Felix, Paul en Rebecca Mendelssohn schitterden tijdens de ‘ Sontagmusik’, met geregeld ook nieuwe composities.

Heinrich Heine was ook prominente gast in de Parijse salons. Politieke figuren zoals Alphonse Lamartine en Abbé de Lammenais en  kunstenaars als Victor Hugo en Fréderick Chopin bezochten de salons.
In Sint Petersburg was het culturele leven geënt op dat van Berlijn en Parijs. Anton – en Nicolai Rubinstein, de stichters van de conservatoria van Petersburg en Moskou, waren kosmopolieten. De slavofielen kwamen in de salons van Mili Balakirev en Dimitrofan Beljajev. De salons waren een geduchte factor in de sociale ontwikkelingen van de 19de eeuw. De uitgebreide en lange lezingen van twee maal een uur wordt doorspekt met muziek.

Scroll naar boven